Wetenschappelijke waarde van de zelftest van Elaine Aron.

In 2006 werd door Kathy A. Smolewska, Scott B. McCabe en Erik Z. Bosrijk aan de universiteit van Toronto, Canada, onderzoek verricht naar de wetenschappelijke waarde van de zelftest voor Hoogsensitieve Personen.

De Hightly Sensitive Person Scale werd in 1994 ontwikkeld door Dr. Elaine Aron en Dr. Arthur Aron. Deze zelftest bestaat uit een vragenlijst met 27 eenvoudige vragen, waarbij een positief antwoord op 14 of meer vragen een indicatie is dat de respondent hoogsensitief is. De eenvoud van deze test zorgde ervoor dat vele mensen de betrouwbaarheid van de zelftest in vraag trokken. Het wetenschappelijk onderzoek van Smolewska et al., met medewerking van 851 personen, wijst echter uit dat deze zelftest een geldige en zeer betrouwbare maatstaf voor het concept Hoogsensitiviteit is.

Uit de resultaten blijkt dat de zelftest niet enkel een ideaal instrument is bij het meten van hoogsensitiviteit, maar daarnaast ook een indicatie geeft naar mate van Gevoel voor Esthetiek, Prikkelgevoeligheid en Low Sensory Threshold*.

Bron :
Smolewska, K., McCabe, S., Woody, E. (2006). A psychometric evaluation of the Highly Sensitive Person Scale: The components of sensory-processing sensitivity and their relation to the BIS/BAS and “Big Five”. Personality and Individual Differences, 40, 1269-1279.

* Low Sensory Threshold wijst op het feit dat zintuiglijke waarnemingen die door anderen automatisch gefilterd worden, bij HSPs, soms onbewust, toch verwerkt worden en het zo prikkelgehalte waarmee deze persoon af te rekenen krijgt verhogen.

Wetenschappelijk

De inzichten rond hoogsensitiviteit zijn vrij recent. Tot op heden is vooral Elaine Aron diegene die hieromtrent wetenschappelijk onderzoek verrichtte. Er werden echter tal van andere wetenschappelijke onderzoeken uitgevoerd, die sterke raakvlakken vertonen met hoogsensitiviteit, zoals over temperament, hoogbegaafdheid, introversie, extraversie, enzovoort.

Elaine Aron stelt dat hoogsensitiviteit in het merendeel van de gevallen aangeboren is en zelfs erfelijk. Meestal is minstens een van de ouders ook hoogsensitief. De genetische component van hoogsensitiviteit
lijkt dus vanzelfsprekend, maar concreet wetenschappelijk onderzoek hieromtrent is er voorlopig nog niet. De stelling van Aron wordt echter wel ondersteund door onderzoek uit 1993 van Wilson, Coleman, Clark en Biederman.

UIteindelijk is de wetenschappelijke benadering ook afhankelijk van het land waarin die vraag wordt gesteld. In Nederland wordt hoogsensitiviteit al veel sterker in wetenschappelijke kringen aanvaard. Zo werd in 2011 een wetenschapsdag aan de universiteit van Leiden georganiseerd, waarbij hoogsensitiviteit één van de vele thema's was.

Waarom stellen sommigen de vraag in hoeverre dit wetenschappelijk is bewezen?

Voor hoogsensitiviteit bestaan er, net zomin als voor hoogbegaafdheid, vaststaande diagnostische criteria, in tegenstelling tot voor ADHD en autismespectrumstoornissen, die in de DSM-IV zijn opgenomen. Bij hoogbegaafdheid en hoogsensitiviteit is er ook veeleer sprake van een persoonlijkheidskenmerk of temperament en zeker niet van een probleem of stoornis zoals die in de DSM-IV gedefinieerd worden. hoogsensitieve kinderen scoren op diagnostische testen dan ook vaak te laag, terwijl ze toch heel wat symptomen vertonen. Officieel is er met hen dus niets aan de hand, maar in de praktijk is een DSM-IV-diagnose belangrijk om de juiste hulpverlening te krijgen.

De DSM bevat een lijst met psychiatrische stoornissen en de daarbij horende karakteristieken. Behalve schizofrenie en persoonlijkheidsstoornissen bevat het ook ADHD, autisme, PDD-NOS en zelfs leesproblemen.
Een stoornis wordt gezien als een ziekte. Maar hoogsensitiviteit is een persoonskenmerk en helemaal geen ziekte of stoornis. Dit heeft als gevolg dat de medische wereld vaak  te weinig begrip wil opbrengen voor deze karaktertrek en vele behandelingen uiteindelijk niet zijn afgestemd op hoogsensitieve personen. Bovendien is het ook zo dat hoogsensitiviteit nog niet werd opgenomen in de opleidingen voor artsen, psychologen, therapeuten, leerkrachten, orthopedagogen. Hierdoor krijgen professionele hulpverleners vaak de indruk dat hoogsensitiviteit geen wetenschappelijke basis heeft.